Pieter van der Plank

 

 

 

 

 Start
Transylvanië
Jezikoslovlje
Boek inhoudsopgave
Hoofdstuk II
Hoofdstuk III
Hoofdstuk IV
Hoofdstuk VII
Frisian language use

 

Inleiding Hoofdstuk II

 

Etnische Zuivering in Midden-Europa, Natievorming en Staatsburgerschap in de 20ste eeuw

 

Inleiding op Hoofdstuk II

 

Etnische zuivering is een containerbegrip dat alleen in juridische termen als definitie afgegrensd kan worden. Buiten dit formele gebruik is afbakening moeilijker en beweegt het begrip zich tussen migratie en genocide, terwijl het niet zelden vertroebeld wordt door propagandistische oogmerken.

Wezenlijk is dat het begrip geen individuen maar collectiviteiten - etniciteiten - betreft. Groepen mensen die vanwege hun ongewenste groepseigenschappen - cultuur, taal, godsdienst, bestaanswijze - uit de gemeenschap worden verwijderd door een gezag – het staatsgezag of een dominante machtsgroep - dat deze eigenschappen als gevaarlijk ziet voor het behoud van macht en stabiliteit en beheersbaarheid in de staat. In de westerse samenlevingen en hun staten worden deze collectieve kenmerken als toenemend irrelevant gezien, maar in de samenlevingen van Midden en Oost-Europa hebben zij langer gegolden als de sociale, economische en politieke basiselementen van staatsopbouw. Omdat de staatsinrichting op een nationale ideologie werd gebaseerd kwamen de etniciteiten daarmee in conflict. Wezenlijk is ook dat in die delen van Europa volkeren geografisch door elkaar heen woonden. Zelden hadden grotere gebieden een homogeen etnisch karakter. Etnische grenzen waren relatief in die zin dat zij eerder zones vormden met een overgang van de ene naar een andere etnische dominantie.

Jonge staten die hun integriteit wilden vestigen op de nationaliteit bevolking - natiestaten -  moesten deze aanpassen aan hun staatgrenzen en dat is in Midden-Europa op zeer grote schaal gebeurd. Dat staat tegenover de ontwikkeling in West-Europa waar de staatsgrenzen de etniciteit van de bevolking gingen bepalen door de staatsburgers in een nationale ideologie op te voeden. Vooral in kerk en onderwijs werd etniciteit tot nationaliteit ontwikkeld. Deze evolutie kon in zuidoostelijk Europa  niet gevolgd worden. De tijd ontbrak daar en religieuze tegenstellingen waren er te groot en te bepalend. Bovendien was het ontwikkelingsniveau te laag en bleef onderwijs tot ver in de 20ste eeuw een marginale rol spelen. Hier werden bewoners aangepast aan staatsgrenzen die bovendien door oorlogsgeweld voortdurend veranderden met de consequenties van dien voor de bevolking.

 

Een inventariserende beschrijving

De ontwikkelingen zullen worden beschreven aan de hand van geweld, opstand, onderdrukking en oorlog. Noodzakelijkerwijs moet dat de leidraad zijn maar het wordt geen politieke, diplomatieke en militaire geschiedenis. De aandacht blijft steeds gericht op de gevolgen van staatsstichtingen en hun geografische begrenzingen, die dynamisch plaatsvonden, getrokken en gewijzigd werden door diplomatie onder dreiging van en vaak ook met oorlogsgeweld. De bevolkingssamenstelling van de betrokken gebieden kwam in het geding: wie werd of bleef staatsburger en kon dan op de rechtspositie van het staatsburgerschap een beroep doen, en wie bleef of werd vreemdeling en moest zich voegen in ondergeschiktheid om dan uiteindelijk vaak onteigend worden en huis en haard te moeten verlaten. Deze staatkundige geografie kreeg gestalte in de vredesverdragen van 1919-1923. De nieuwe staten verplichtten zich tot het erkennen en juridisch beschermen van hun minderheden maar gingen over tot een assimilatiepolitie die ontaardde en gevolgen kreeg in vlucht, gedwongen migratie, etnische zuivering en in extreme gevallen genocide. Bepalend waren dan nieuwe nationale staatsgrenzen die zich niet verhielden met oude etnografische grenzen en waaraan de laatste door middel van ‘zuivering’ werden aangepast. Soms werden aan het einde van het Interbellum 1938-1941 weer nieuwe grenzen geschapen en kregen gediscrimineerde etniciteiten hun dominante positie terug. En gingen zij over tot afrekeningen. In 1945 werden de oude grenzen weer hersteld, opnieuw met grote gevolgen voor de betrokken bevolking. Daarbij kwam de geografische verschuiving van Polen naar het westen over Duits staatsgebied.

Eén op de vijf Midden-Europeanen woonde na 1945 door collectief gedwongen vertrek niet meer in het gebied van zijn voorouders. Van ruim 35 miljoen die in de 20ste eeuw onder de ruime term etnische zuivering gebracht kunnen worden  hebben één op de tien hun nieuwe woonplaats nooit meer gehaald omdat zij onderweg omkwamen. Dit afgezien van de genocide op bijna 6 miljoen Joden.

 

Het te behandelen gebied -  Midden-Europa - en de tijdsperiode - 20ste eeuw – staan in de titel maar worden overschreden in de behandeling van de Balkan en de Kaukasus. Daar zette het proces van etnische zuivering al een eeuw eerder in. Ook kan dat proces niet los gezien worden van de ontbinding van het Ottomaanse Rijk en daarom is Anatolië geografisch meegenomen in de beschrijvingen. Wat aansluit op de Kaukasus, die in deze bewerking uitgebreid wordt behandeld terwijl ze in het boek slechts zijdelings aan de orde kwam.

Er is een opvallend verschil tussen de Midden en de Zuidoost-Europese bevolkingszuiveringen. In Midden-Europa geldt taal als een ‘ethnic marker’ voor etniciteit; in Zuidoost-Europa is dat religie. De staten in deze regio hebben zich gevestigd op godsdienstige homogeniteit en hun behandeling van etnische minderheden is vaak synoniem met godsdienstdiscriminatie.

Een ander verschil ten opzichte van Midden-Europa en de Balkan vinden we in de Kaukasus waar een grote mogendheid - het keizerlijke Rusland - een koloniale expansie bedreef door territoriale verovering en met vestiging van loyale staatsonderdanen tussen en tegenover de onderworpen ‘autochtone volkeren’.  

 

Een bijzonder aspect van deze processen is dat  niet alleen individuen en groepen erdoor getroffen werden maar ook hun cultuurgoederen Hun geschiedenis was zichtbaar in religieuze, feodale en publieke gebouwen, en in landinrichting die de materiële bases van hun historische bestaan vormde. Ook deze materiële gegevenheden werden etnisch gezuiverd door ze een andere nationaal correcte geschiedenis toe te dichten, ze af te breken, te laten vervallen en op te ruimen  over hun bouwers en bewoners te zwijgen of, indien dat mogelijk was, ze een andere functie te geven die wel in de nieuwe nationaal correcte code paste.

 

De praktijk van ‘zuiveren’ laat op de Balkan zien dat wat voor de ene oorlogspartij een goede keuze was en bescherming opleverde, door de tegenstander als verraad opgevat en gewelddadig afgestraft werd. Waar  rivaliserende nationale legers elkaar afwisselden, werd de bevolking door het ene dan wel het andere leger uitgemoord. Op zijn best werd ze verjaagd, en verloor ze haar bezit. In de Eerste Wereldoorlog werden de vredesregelingen echter weer betwist en, deels ongedaan gemaakt. Voor de bevolking was de nationale keuze een riskante zaak van levensbelang geworden. Een ‘goede’ keuze bepaalde haar kansen op overleving en behoud, compensatie of verwerving van bezit. Onderling éénsgezind kon zij op basis van etnische identiteit en organisatie het daarmee overeenkomende nationale leger uitnodigen haar te beschermen. Om haar keuze veilig te stellen verjoeg of vermoordde zij degenen in de lokale gemeenschap, die andere keuzen maakten. Zo werd elke nationale keuze beladen met angst en haat, en riep zij scheidingen op in het dagelijks leven die identiteit en solidariteit sindsdien zouden gaan bepalen. Deze praktijk werd na de Eerste Wereldoorlog een geregeld onderdeel van verdragsparagrafen. Grenswijzigingen waren tegelijk bevolkingsuitwijzingen en -uitwisselingen die op ordelijke wijze en met garantie voor compensatie van verloren bezit dienden plaats te vinden. Dat principe werd na de Tweede Wereldoorlog weer opgegeven. Verlies van staatsburgerschap en veroordeling tot vreemdeling volgde op grenswijzigingen en werd ook afgerekend in onteigening en confiscatie van goederen en bezit.   

 

Het Ottomaanse Rijk dat de Balkan en de Kaukasus omvatte bestond uit een  etnisch extreem gelaagde samenleving. Zijn erfgenaam Turkije is in het Midden- Oosten een uitzonderlijke, seculiere en democratische natiestaat naar Europees model geworden. Om die kwaliteit te bereiken moest deze staat nog wel een kwart van zijn bevolking drastisch zuiveren op basis van etno-godsdienstige criteria.

De Balkannaties vochten zich vrij van het Ottomaanse Rijk, eerst in die delen van hun etnisch grondgebied, waar hun aantal en hun nationale organisatie het sterkst waren. In het verloop van de twee Balkanoorlogen in 1912 en 1913 werden de laatste stukken Ottomaans staatsgebied op de zuidelijke Balkan veroverd en verdeeld door Servië, Griekenland en Bulgarije. Maar tot in de jaren negentig van de 19de eeuw ging dit proces door om te eindigen met de staatkundige verkaveling van Joegoslavië. De bevolking in de Balkanstaten bleef zich voor haar veiligheid baseren op  een traditioneel stamrecht op plaats van het in West-Europa geldende humanistische staatsburgerrecht.

 

Rusland voerde in de 19de eeuw een kolonisatiepolitiek om de, in de Kaukasus aanwezige etnisch en religieus anders geaarde volken blijvend te pacificeren, te onderwerpen en te assimileren. Etnische zuiveringen werden op grote schaal uitgevoerd en hadden regionaal resultaat maar het bleven toch gedeeltelijke, namelijk ten dele weer ongedaan gemaakte ‘oplossingen’ die generaties lang ressentiment opriepen en recent tot een bijzonder gewelddadige oorlog in Tsjetsjenië leidden. De post-Sovietperiode laat zien dat de etnische, inmiddels nationale, pluriformiteit sterker was en is gebleven dan de politiek van ooit nagestreefde versmelting in een socialistische Sovjet-natie.

In de Middeneuropese natiestaten was een gewelddadige zuivering van enkele tientallen miljoenen, die tot etnische en nationale minderheden behoorden, nodig om van de oorspronkelijk pluriforme bevolking een nationaal homogene staatsburgerschap te maken. Naast de vernietiging van de Joodse gemeenschappen.

Een dergelijke homogene basis voor binnen- en tussenstatelijke politieke stabiliteit kon niet ontstaan in de Kaukasus.