Pieter van der Plank

 

 

 

 

Start
Transylvanië
Jezikoslovlje
Boek inhoudsopgave
Hoofdstuk III
Hoofdstuk IV
Hoofdstuk VII
Frisian language use and ethnic identity

 

Inleiding hoofdstuk III

 

     Etnische Zuivering in Midden-Europa; Natievorming en staatsburgerschap, Hoofdstuk III

 

Inleiding op Hoofdstuk III

Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog vonden omvangrijke bevolkingsmigraties in Midden-Europa plaats. Zij kunnen niet onder één noemer worden begrepen, zeker niet zonder meer onder die van gewelddadige etnische zuivering. Daarvan kon sprake zijn of in het verloop van de oorlogen sprake, en  meestal betrof het dan stromen vluchtelingen voor (dreigend) geweld van de strijdende partijen of tengevolge van pogroms. Soms was sprake van deportatie, vooral door de Russische staatsoverheden, die collaboratie vreesden van hun onderdanen in de frontgebieden. Na de Wereldoorlog vertrokken honderdduizenden nadat bij de vredes nieuwe nationale staten waren geïinstalleerd en nieuwe staatsgrenzen werden getrokken. Hierbij kan van 'nationale zuivering' worden gsproken. Het betrof vooral de bestuurlijke en maatschappelijke bovenlaag van de ancien régimes, die hun  bestaanbasis verloren nu de 'oude' staatsoverheid was onttroond en een nieuwe orde op zaken ging stellen. Hoewel zelden fysiek geweld gebruikt werd, was er zeker sprake van intimidatie door die nieuwe staatsoverheden met de dreiging van ontslag, onteigening en verlies van inkomen.

Deze nationale zuivering van Midden-Europa wordt in Hoofdstuk III beschreven. In Hoofdstuk II gaat het om de 'etnische zuiveringen' die al eerder op grote schaal op gang waren gekomen, en dan vooral zuidelijker in het ineenstortende Ottemaanse Rijk op de Balkan en in Turkije.

 

Een korte samenvatting: daar werden vlak voor de uitbraak van de wereldoorlog de twee zogeheten Balkanoorlogen uitgevochten, door Bulgarije, Griekenland en Servië tegen Turkije en, bij het verdelen van de buit, ook tegen elkaar. Het ging daarbij om de laatste Ottomaanse provincies in Europa: Albanië, Macedonië en Thracië. Turkije moest deze provincies al na de eerste Balkanoorlog in 1912 afstaan maar omdat Bulgarije ontevreden was over zijn aandeel in de verdeling, provoceerde het in 1913 een tweede oorlog. Die bracht Bulgarije alleen maar nog meer verlies (en Roemenië, dat nu in tweede instantie ook meedeed, een kleine gebiedswinst). Turkije verloor uiteindelijk bij de ‘Vrede van Constantinopel op 27 november 1913 ruim 140.000 km2 staatsterritorium met ca. 4,7 miljoen inwoners. Het geweld tegen de bevolking was in en na de oorlogen groot en had tot doel groepen te verjagen waarvan de combattanten dachten dat ze deloyaal zouden zijn tijdens de strijd, of zouden worden wanneer hun woongebied eenmaal staatkundig in hun bezit was gekomen. Het ging hier om echte 'etnische zuiveringen', want de betrokken bevolking had als regel nog geen geëmancipeerd nationaal bewustzijn. Zij identificeerde zich primair op religieuze basis, waarbij de godsdienst overigens voor de nationale elites al wel de kern van het toekomstige nationale besef vormde: de twee orthodoxe exarchaten, van Belgrado en van Sofia, vonden hun grondslag in respectievelijk nationale Serven en nationale Bulgaren en streden om de gunst van nationaal indifferente Macedoniërs. Het orthodoxe patriarchaat Constantinopel beschouwde de exarchaten als dissident en vond zijn ontwijfelbare aanhang uiteraard onder de nationale Grieken maar ook onder veel christelijke Albanees-, Macedonisch-, Bulgaars- en Turkssprekenden. Zij werden dan georganiseerd in patriarchaatsparochies en de jonge generatie onderging op de daaraan verbonden scholen een Grieks-nationale indoctrinatie. Moslims werden door de christelijke strijdgroepen als Turken beschouwd hoewel velen van hun Albanees, Macedonisch of Bulgaars spraken (Pomaken) en een aantal Grieks. Ook moslim-Roma behoorden tot deze ‘Turken en alle moslim-etniciteiten zochten bij Ottomaanse overheden hun toevlucht. Men kan stellen dat de Balkanoorlogen de overgang vormden van een traditioneel etnisch bewustzijn, dat zijn grondslag vond in godsdienst en zijn organisatie in locale kerkelijke gemeenschappen. Deze pre-moderne en op religie gebaseerde etnische identiteit had zich nog niet in moderne nationaliteit uitgekristalliseerd, maar de oorlogen dwongen de bevolking tot een nationale keuze omdat de guerillastrijdgroepen weldra werden opgenomen in de nationale legers van de strijdende staten. Om aan de gewelddadige zuiveringen, waarin honderdduizenden afhankelijk van de frontlijnen en de nieuwe staatsgenzen heen en weer werden gejaagd, een eind te maken, besloot de ‘Conventie van Adrianopelin 1913 tot het uitwisselen van bevolkingsgroepen, althans van de restanten die nog niet vertrokken of om het leven gekomen waren. Daarmee was etnische zuivering in het oorlogs- en volkenrecht een legitieme begripscategorie geworden.

Na de Tweede Wereldoorlog, die op de zuidelijke Balkan onmiddellijk op de twee Balkanoorlogen volgde, werd in het ‘Verdrag van Sèvres’ op 10 augustus 1920 een separate vrede voor de zuidelijke Balkanstaten gesloten. Met name Griekenland kreeg hierbij een grote gebiedsuibreiding toegekend: oostelijk Thracië tot aan de stad Constantinopel/ Istanbul en aan de overzijde van de Egeïsche Zee rondom de voornamelijk door Grieken bewoonde stad Smyrna/ Izmir. Bij dit verdrag werden grote delen van Turkije toebedeeld aan nieuwe staten in het Midden-Oosten en werd aan Armeniërs en Koerden ook een staatkundig toekomstpersectief geboden. Dat bracht een wanhoopsoorlog op gang. In 1916 begon dat al met de verdrijving van de Armeniërs uit oostelijk Anatolië. Na 1920 zou het door Atatürk gereorganisieerde Turkse leger  bij de betwiste vrede verloren gebieden gaandeweg herwinnen en consolideren door middel van etnische zuiveringen. Met het vermoorden van tienduizenden werd de vlucht uit Anatolië op gang gebracht van meer dan een miljoen van ‘Turkse Grieken’. De nieuwe stand van zaken dwong de geallieerden een nieuwe conferentie te organiseren en in Lausanne op 10 juli 1923 werden de grenzen van Sèvres teruggedraaid en toestemming gegeven het ruilen van de restanten van de Grieken in Turkije en de Turken in Griekenland, waarmee impliciet bevolkingsruil onder het volkenrecht gebracht werd. Overigens greep en hierbij terug op oude etnische identiteiten en werden vooral christenen tegen moslims geruild.

Zuiveringen kunnen ontaarden in massamoorden die plaatselijk vaak voorkwamen.  Toch kan het begrip genocide beter bewaard blijven voor de doelbewuste uitroeïng van een geheel volk en in die zin zou het van toepassing kunnen zijn op de Armeniërs. Zij woonden op het oostelijk platteland en in de steden van Turkije. Voor hen was ook geen plaats meer een nationaal en religieus zuiver Turkije. Nadat enkele decennia lang al incidenteel progroms tegen hen waren uitgevoerd en de Armeniërs tijdens de uitgebroken Eerste Wereldoorlog de Russen te hulp riepen, hadden zij in Turkse ogen hun doodvonnis getekend. In 1916 begonnen massa-executies in de stedelijke Armeense gemeenschappen en daarna kregen Turkse speciale milities de opdracht om resterende (plattelands)bevolking in razzia’s samen te drijven en in dodenmarsen af te marcheren naar het zuiden. De omstandigheden waaronder dat plaatsvond waren van dien aard dat het de dood van de meeste betrokkenen tengevolge moest hebben. De cijfers van de omgekomenen zijn nog altijd omstreden maar één miljoen is een minimale schatting.  

In Hoofdstuk II De strijd om nationale grenzen op de zuidelijke Balkan, blz. 59-122, wordt de geschiedenis van de staatsvorming en de daarmee gepaard gaande zuiveringen gedetailleerd beschreven en in tabel I wordt ze becijferd. Samengevat: ca. 1,7 miljoen Grieken, bijna 0,5 miljoen Bulgaren en ruim 1,4 miljoen Turken (in de etnische zin van die begrippen) werden tussen 1912 en 1923 gedwongen te vluchten omdat de nationale staat waaraan hun woongebied in verschillende vredesverdragen was toegekend hen niet als staatsburger wenste.

 

Belangrijk is het onderscheid in de wijze van ‘zuiveren‘ op de zuidelijke Balkan ten opzichte van het eigenlijke Midden-Europa, waar de taal inmiddels steeds relevanter was geworden in de bepaling van de nationale identiteit. Na de Balkanoorlogen werd overiges ook daar niet meer in etnische zin primair van en exarchaats- en patriarchaats-christenen en van moslims gesproken, maar van Serven, Bulgaren, Grieken en Turken.