Pieter van der Plank

 

 

 

 

Start
Transylvanië
Jezikoslovlje
Boek inhoudsopgave
Hoofdstuk III
Hoofdstuk IV
Hoofdstuk VII
Frisian language use and ethnic identity

 

Samenvatting bij PDF-bestand Jezokoslovlje

  Jezikoslovlje


Conference on Concepts and Consequences of Multilingualism in Europe 3, georganiseerd door de universiteiten van Pécs (Hongarije) en Ossijek (Kroatië) op 8-11 juni 2012.
Bijdrage van P.H. van der Plank,

Effects of Habsburg educational policies, measured by census statistics, gepubliceerd in Jezikoslovlje 13.2 (2012) (ISSN 1331-7202)
 
Samenvatting:  
Volksonderwijs zou in de Habsburgse Monarchie aan het einde van de 18de eeuw op bredere basis georganiseerd gaan worden; dat leidde al voor 1850 tot een alfabetisering onder de bevolking van 50% in het westen tot 10% in oostelijke landsdelen. De onderwijstaal was de volkstaal ter plaatse.
Het middelbaar en hoger onderwijs bouwde daarop voort met dien verstande dat Duits als rijks-bestuurstaal in de laagste klassen gold als tweede, en in de hoogste klassen als eerste taal. Leer- en wetenschappelijke boeken waren vrijwel uitsluitend in die taal voorhanden. Afgestudeerden hadden goede kennis van het Duits nodig om te kunnen functioneren in de overheidsdiensten van de monarchie. Dat gold uiteraard voor de Oostenrijkse provincies, maar in de Hongaarse landsdelen kreeg al vroeg in de 19de eeuw Hongaars naast Duits een toenemend belangrijke rol.
Na 1848 begon de desintegratie van de Monarchie, voortgestuwd door de nationale emancipatie onder de verschillende volkeren waaruit zij was samengesteld. De nationale elites eisten steeds meer plaats voor hun taal, hoewel zij de noodzaak van kennis van het Duits niet bestreden. De implementatie van deze taaleisen was in het zich democratiserende Oostenrijk veelvormig omdat zij afhing van de getalsmatige aanwezigheid van de volkeren (taalgroepen) per provincie (kroonland), en daarbinnen per district (Kreis) en gemeente. Wettelijke getalscriteria bepaalden de onderwijstaal en ook de bestuurs- en gerechtstaal op deze verschillende niveaus. De voortgaande democratisering bevorderde niet de vorming van een staatsloyale middenklasse maar riep nationaal-politieke partijen in het leven, welke nationaal eigenbelang nastreefden en hun potentiële achterban als basis van hun macht regisseerden in nationale kaders, waarvoor vooral hun eigen nationale onderwijs ten dienste stond. Niet alleen stembusuitslagen maar vooral ook volkstellingen bepaalden deze nationale strijd want zij gaven de wettelijke positie aan die aan de talen geldingskracht verleenden als medium van openbaar bestuur, rechtspraak en onderwijs. Deze taalstatus had rechtstreeks invloed op de aanstellingseisen en promotiemogelijkheden van publieke functionarissen. Uitsluitende Duitstaligheid ging een nadeel met zich meebrengen, tweetaligheid werd een voordeel. 
Politiek, taal en onderwijs kwamen in een nauwe samenhang te staan waarin concurrentie en competitie tussen de 'nationaliteiten' een centrifugaal proces ontwikkelden in de machtsverhoudingen waaraan Oostenrijk uiteindelijk ten gronde ging.
In Hongarije, dat na 1866 binnen de Monarchie interne zelfstandigheid verwierf, was de ontwikkeling  tegengesteld aan die in Oostenrijk. Minderheden - meer dan de helft van de bevolking - mochten hun eigen cultuur beleven, echter zonder dat deze een juridische status en rechtsbescherming bezat, en op voorwaarde dat dat de exclusieve positie van de 'Hongaarse natie' als drager van de staat niet aantastte. Zij mochten dus wel etniciteiten zijn maar geen nationaliteiten, en als 'etnie' moesten zij zich als onderdeel van de deze staatsnatie beschouwen. Hun politieke emancipatie werd tegengewerkt met toenemende bestuurlijke centralisering en nationaal beperkte democratisering. Een politiek van magyarisering werd als noodzakelijk voor de staatkundige integriteit beschouwd. De maatschappelijke bovenlaag was weliswaar overwegend Hongaars en maatschappelijke middenlagen lieten zich opportunistisch en pragmatisch magyariseren, maar daartegenover was politieke emancipatie van niet-Hongaarse volkeren een toenemende bedreiging voor de integriteit van de staat. Daartegen werd onderwijspolitiek ingezet als een middel tot unificering; onderwijs in andere talen dan het Hongaars werd gaandeweg gemarginaliseerd door middel van wettelijke magyariserende voorschriften, die als voorwaarde golden voor financiële staatsondersteuning. Anderstalig onderwijs kon zich alleen beperkt handhaven in handen van die kerken, welke zich niet in nationale zin met de Hongaarse natie verbonden voelden. Onder oosters-orthodoxe Roemenen en Serven vond magyarisering weinig plaats, maar vooral de katholieke en lutherse Slowaakse en Duitstalige minderheden zouden er vatbaar voor worden in een proces dat voorlopig de fase van de tweetaligheid niet passeerde, maar in de volkstellingspublicaties die tweetaligheid negeerden, wel een groot optisch effect teweeg bracht: het aandeel van de 'Magyaren' groeide tussen 1880 en 1910 van ca. 45 naar 55%. Dit versterkte de Hongaarse elite in de verwachting van een toekomstige eentalige natiestaat naar westers model.
Een bijzondere plaats namen de Joden in. De Oostenrijkse Joden pasten zich algemeen aan binnen het Duitstalige cultuurkader en pas toen de Tsjechen verregaande autonome in de door hun beheerste provincies kregen, besloot in dominant Tsjechischtalige omgevingen een toenemend deel van hun zich te tsjechiseren. In Galicië was slechts enigermate van polonisering sprake en werd onder invloed van het zionisme in toenemende mate juist een eigen nationale Joodse nationale identiteit gecultiveerd. Sinds de 18de eeuw kwamen zij in grote aantallen uit Galicië, toen pas een Oostenrijkse provincie geworden, naar de Hongaarse steden, vooral naar Boedapest. In die hoofdstad van Hongarije zouden rond 1880, volgens de volkstellingcriteria, die Jiddisch als variant van het Duits beschouwden, ‘Duitsers’ een derde deel van de bevolking uitmaken. 
In Hongarije magyariseerden Joden zich welbewust en in toenemende mate, waarbij overcompensatie en bescherming tegen achterdocht een rol speelden. De volkstelling baseerde zich op taalgebruik en moedertaal. Joden, omdat hun Jiddisch werd beschouwd als een Duits dialect, werden dientengevolge  als ‘Duitser’  geregistreerd. Maar als vanaf 1880  het aantal Hongaarse ‘Duitsers’ in Boedapest in de tellingen per decennium halveert, mag daarin het resultaat worden gezien van het toenemend aantal tweetalige Joden dat bewust zijn (Jiddische of Duitse) moedertaal passeerde en er vanuit nationale gezindheid voor koos om deze als Hongaars aan te geven. Deze aanpassing moesten ze met een toenemende afkeer van Duitse nationalisten betalen, terwijl Hongaarse nationalisten hen er niet met acceptatie voor beloonden. In Oostenrijk zowel als Hongarije zouden nationalisten van diverse pluimage Joden alleen in hun getalsmatige hoedanigheid waarderen en nooit als  ‘volksgenoten’ erkennen.

In de literatuur over de ‘nationaliteitenstrijd’ in de Habsburgse monarchie worden Joden in de volkstellingsstatistieken als Duitstalig gekwalificeerd en dientengevolge als ‘Duitsers’ beschouwd. Conclusies betreffende culturele en politieke machtsverhoudingen, volgend uit het verloop van de (census-)aandelen onder de bevolking, zijn daarom zeker ten aanzien van de ‘Duitse nationaliteit’ in de Habsburgse monarchie stelselmatig ongenuanceerd, voorbarig en slecht vergelijkbaar met de censusproporties van de andere nationaliteiten. De 'Duitsers' vormden etnisch en religieus een bijzonder heterogene en variërende categorie die zich ook politiek verre van uniform, laat staan nationaal, uitdrukte. Terwijl de andere volkeren dat wel en juist in toenemende mate deden.